Actueel

11-08-2018 00:00:00
De Helderse Molenstichting "De Onderneming" is ook aanwezig bij het tuinfeest van Stichting Afgestoft in de Petrus en Pauluskerk.dat duurt va...
04-04-2018 00:00:00
Ook de Helderse Molenstichting "De Onderneming" doet dit jaar weer mee aan de Nationale Molendag 2018....
01-01-2018 00:00:00
Het bestuur van de Helderse Molenstichting "De Onderneming" wenst u een goed en gezond 2018 toe! Als we dan toch een wens hebben voor Den Hel...
05-09-2017 00:00:00
Zaterdag 9 september a.s. van 11:00 - 14:00 is het Huis van de Wind open in het kader van Open Monumentendag. Komt u langs? Misschien hebben ...

Helderse Weidemolentjes

Watermolentjes in het Koegras en de Helderse polder

 

Geschiedenis
Na de aanleg in 1817 van de Koegras Zeedijk, de dijk oostelijk langs het Noord-Hollandskanaal, viel de polder het Koegras definitief droog. Het gebied tussen de Callantsogervaart en de Helderse Linie bestrijkt dan bijna vierduizend hectaren waaronder enige honderden hectaren nollen (middeleeuwse lage duinen). In 1849 verkocht de Staat der Nederlanden de polder voor f 689.951,- (gulden) aan Mr. Pieter Loopuyt te Schiedam. Hij liet met veel energie het Koegras ontginnen en in 1870 stonden er 98 woningen, waaronder 54 boerderijen, woonden er 573 mensen en stond er een dorpsschool. In de periode na 1900 kwam de grote vooruitgang door het gebruik van kunstmest, door de toepassing van verbeterde grondbewerking door moderner werktuigen en door de sterk verbeterde waterbeheersing.

Weidemolentjes
Voor de waterbeheersing werd tot in de dertigerjaren van de vorige eeuw gebruik gemaakt van houten weidemolentjes, ook wel aanbrengertjes genoemd. In de polder stonden er een groot aantal van deze molentjes, ze waren eigendom van de landeigenaar die ook voor het onderhoud zorgde. De molens bemaalden in de polder het water van het grote stelsel vaarten en sloten. Zij werden in het algemeen gebruikt voor het onderbemalen van het land. Dit type weidemolen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgde dat de molen altijd goed op de wind stond. Mits er voldoende of niet te veel wind was. In de voormalige Helderse polder, nabij de Linie aan de westzijde van de Middenweg, stonden twee watermolentjes die veel Heldersen nog hebben zien malen. Zij stonden net buiten en net binnen de Linie. Het molentje dat buiten de Linie stond maalde nog tot in de jaren 1960 het water.

 

Bosmanmolentjes
Het waren uiteindelijk de praktische nadelen, de hoge onderhoudskosten en de komst van een nieuw type molentje die de houten weidemolentjes deden verdwijnen. Want een groot nadeel van deze molentjes was bijvoorbeeld de bediening, zo moest men bij wind uit teveel verschillende richtingen de molen op de wind te zetten. Oorzaak was dan de weigering van de windvaan die de molen door windkracht zelf op de wind moest draaien want deze functioneerde niet bij zwakke wind. En bij harde wind moest men de molen stilzetten om schade te voorkomen. Dat betekende dat men altijd de gang naar de molen moest maken. Verder was het houtenonderstel aan verrotting onderhevig. Deze nadelen kenden de zogenaamde Amerikaanse molentjes niet. Zij werden in Nederland vanaf de jaren 1930 in Nederland geïntroduceerd en werden bekend als de Bosman windwatermolens, vernoemd naar de maker van deze molentjes. De bediening is uiterst eenvoudig, het richt zich naar elk windje, hoe gering dan ook. Verder regelt het zich zelf bij krachtige wind door middel van een eenvoudige trekveer die aan de staart is bevestigd. En door een eenvoudig vlottersysteem is volautomatische peilbeheersing mogelijk. Daarbij is de betonnen onderbouw duurzamer dan het houtenonderstel van een weidemolentje en hebben de molentjes lage onderhoudskosten. Al deze voordelen en de langere levensduur zorgden er voor dat de houten molentjes uiteindelijk verdwenen. Vanaf die periode werden de Bosman windwatermolens de meeste voorkomende molentjes in het Nederlandse landschap. Gedurende een lange periode zijn er duizenden door de firma Bosman geplaatst, waarvan er in Nederland nog steeds in gebruik zijn.

Woningbouw
Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam de ommekeer in de polders van Den Helder. Weidegronden van veebedrijven werden omgezand en geschikt gemaakt voor de bollenteelt. De veeboer werd bollenboer. Er trad een enorme verandering op en de melkfabriek aan de Van Foreestweg moest zelfs zijn deuren sluiten. En het was géén geheim dat een hectare hyacinten tienduizenden guldens kon opbrengen, en daar konden de melkkoeien niet tegenop. In de jaren zeventig heeft de Noordkop landelijk gezien de grootste uitbreiding in het bloembollenareaal en is dan bovendien de grootste producent van tulpen en narcissen. Met het vee verdwenen ook de watermolentjes uit het Koegras, zij werden vervangen door de nog goedkopere elektrische gemaaltjes. Maar ook door de bouw van woonwijken als Nieuw Den Helder, de Schooten en Drooghe Weert bleef er geen watermolentje staan, overbodig geworden werden zij gesloopt.

Nog slechts twee Bosmanmolentjes
Zo’n zeventig jaar geleden stonden er in het gebied dat we nu kennen als Nieuw Den Helder ten oosten van de Jan Verfailleweg, tien watermolentjes. En in het gebied, tussen de Zanddijk, Doggersvaart, Nieuweweg en Middenvliet stonden er ook minstens tien. In totaal stonden er tussen de Helderse Linie en de Callantsogervaart zeker zo’n zestig molentjes. Nu draaien er nog slechts twee in het Koegras, en alle twee voor de bollenteelt. Zo staat er één midden in het gebied tussen de Zanddijk en de Doggersvaart nabij het inmiddels verlaten Marine Hoofdkwartier, eigendom van G. Jimmink wonende aan de Middenvliet. Het tweede molentje bevindt zich langs de spoorbaan, nabij de Koegrastunnel. Beide molentjes functioneren nog en worden onderhouden.

Bekend is dat er een watermolentje ten behoeve van de gemeentereiniging op een weiland in het Brakkeveld stond (nu woonwijk Tuindorp). Deze werd volgend het gemeente jaarverslag van 1915 als winstgevend omschreven. Het molentje voorzag het land van voldoende waterstand dat de groei van het grasgewas bevorderde dat als voer werd gebruikt voor de paarden van de gemeentereiniging.

Uitvinder van het principe windwatermolens was Heer Floris van Alkemade. In zijn werk: ‘Nederland als polderland’, (1932) schrijft dr. A.A. Beekman: ‘Intussen waren in het begin der 15e eeuw de windwatermolens uitgevonden, of althans hier te lande voor het eerst toegepast. Wij lezen namelijk dat in 1408 Heemraden van Delfland naar Alkmaar zijn gereisd om den molen te gaan zien, waarmee Floris van Alkemade en Jan Grietensoon water hadden uitgeworpen. Nog voor het einde dier eeuw werden watermolens gesticht te Schoorl en Drechterland; in Schieland werd de eerste opgericht in 1434, in Delfland waren er in 1440, in ’t land van Arckel in 1456 enz. ‘. De weidemolens kwamen voor in Noord- en Zuid-Holland, maar alleen in Noord-Holland zijn enkele exemplaren behouden gebleven. Waaronder in Callantsoog, in het weiland tegenover natuurgebied het Zwanenwater.

 

Indien u informatie heeft over weidemolens in Den Helder dan verzoeken wij u contact op te nemen met de Helderse Molenstichting "De Onderneming".